Reactie op ODUS interpretatie onderzoeksresultaten EVA II dat er
minder vogels zijn door sluiten delen Waddenzee
Bron: InterWad
Datum: 10-9-2004
In het persbericht van ODUS en de analyses in de onderliggende rapportage
"Verbod of beheer" worden kanttekeningen geplaatst bij de
wetenschappelijke eindrapportage van het EVA II project. Er wordt in
het persbericht een conclusie aan verbonden die niet strookt met hetgeen
in het EVA II rapport te lezen is en daarom misleidend genoemd kan worden.
Het verbaast ons bijzonder dat ODUS - via een vertegenwoordiger van
begin tot eind lid van de stuurgroep EVA II - nu opeens de integriteit
van onderzoekers in twijfel trekt. Dat "de schelpdiersector vanaf
het begin als boosdoener is gezien" is feitelijk onjuist en ook
niet in het EVA II rapport terug te vinden.
De scholeksters in de Waddenzee zijn afgenomen van 260.000 naar 175.000.
Hoofdoorzaak van deze afname met 85.000 scholeksters is het verdwijnen
van de droogvallende mosselbanken rond 1990. De droogvallende mosselbanken
zijn verdwenen als gevolg van mosselvisserij in combinatie met slechte
broedval en mogelijk storm. Sinds het verdwijnen van de droogvallende
mosselbanken is er praktisch niet meer op de platen op mossels gevist.
In feite ware alle platen (en niet alleen de permanent gesloten gebieden)
gesloten voor de mosselvisserij. Deze goede bescherming heeft zich vertaald
in een duidelijk herstel van de droogvallende mosselbanken.
Op basis van berekeningen wordt geconcludeerd dat ook kokkelvisserij
een rol heeft gespeeld in de achteruitgang van de scholeksters. Als
gevolg van kokkelvisserij was de draagkracht in de Waddenzee naar schatting
15.000 lager. Dat dit heeft kunnen gebeuren is het gevolg geweest van
een te lage voedselreservering. Omdat de achteruitgang van de scholeksters
primair het gevolg is van het verdwijnen van de droogvallende mosselbanken
zijn de scholeksters zowel in open als gesloten gebieden achteruitgegaan.
Gedurende de onderzoeksperiode lagen er meer kokkels in de gesloten
gebieden. Desondanks werd niet waargenomen dat de afname van scholeksters
in de gesloten gebieden minder sterk was dan in de open gebieden. In
sommige analyses is de afname zelfs sterker in de gesloten gebieden.
Wel werd geconstateerd dat de scholeksters in de gesloten gebieden een
betere conditie hadden dan de scholeksters in de open gebieden.
Het wetenschappelijke eindrapport noemt een aantal mogelijke verklaringen
voor het feit dat de scholeksters zich niet herverdeelden over de open
en gesloten gebieden zoals verwacht: (1) fouten bij het toekennen van
de vogels die tijdens hoogwater worden geteld aan de laagwaterfoerageergebieden,
(2) de grote plaatstrouw van individuele scholeksters, (3) het feit
dat de mosselbanken eerst terugkwamen in de open gebieden, (4) het feit
dat nonnetjes in jaren waarin ze een belangrijke alternatieve prooi
vormden in hogere dichtheid voorkwamen in de open gebieden, (5) de mogelijkheid
dat de gesloten gebieden minder kansen boden om tijdens hoogwater naar
regenwormen te zoeken in de weilanden. Zowel nonnetjes als regenwormen
worden alleen gegeten als er te weinig kokkels en mossels zijn. Beide
prooien hebben waarschijnlijk geen rol van betekenis gespeeld in het
dieet van de scholeksters voordat de mosselbanken verdwenen.
Er is in het kader van EVA II geen uitgebreid onderzoek verricht aan
de kanoetstrandloper. Het NIOZ doet al jaren zeer intensief onderzoek
aan deze soort. Wel zijn de tellingen geanalyseerd. Die tellingen worden
verricht tijdens hoogwater, zodat het toekennen van de vogels aan laagwaterfoerageergebieden
die al of niet gesloten zijn voor de schelpdiervisserij onzekerheden
bevat. Vergeleken met de plaatstrouwe scholeksters zijn die onzekerheden
relatief groot voor de zwerflustige kanoetstrandloper. Het leefgebied
van individuele kanoetstrandlopers wordt geschat op 800 km². Vanwege
die onzekerheden in de data kunnen er voor de kanoetstrandloper op basis
van deze analyses geen duidelijke conclusies over de effecten van schelpdiervisserij
getrokken worden.
Bron: onderzoeksmanagement EVA II,
dhr. B. Ens, dhr. A. Smaal en de dhr. J. de Vlas.