· Column:
Hongersnood bij Scholeksters
Een van de grootste, talrijkste,
zwartwitste en agressiefste wadvogels is de scholekster. Omdat ze groot
en opvallend zijn, omdat ze een ruime verspreiding hebben en omdat men
dacht dat ze zóveel kokkels en mossels eten dat schelpdiervissers
zich tekort gedaan zouden moeten voelen, is er de laatste dertig jaar
erg veel wetenschappelijk onderzoek aan scholeksters verricht. In Engeland
verscheen een heel duur en dik boek (442 bladzijden) over leven en dood
van scholeksters. In Nederland een wetenschappelijk tijdschrift met
meer dan vijfhonderd bladzijden. Prachtig,
al
die nieuwe kennis en nieuwe inzichten. Maar geleidelijk aan wordt het
duidelijk dat het helemaal niet meer zo goed met scholeksters gaat.
In Nederland tenminste.
Het probleem schuilt hem in
de manier waarop wij met onze laatste wildernis omgaan. Onze doodgeknuffelde
Waddenzee, waar we ook nog wat aan willen verdienen! De Nederlandse
Waddenzee is niet meer wat-ie geweest is. Waar je vroeger nog wel eens
je blote voeten kon openhalen op bultige mosselbanken, vind je nu gemakkelijk
beloopbare kale, zandige vlaktes. Hier en daar verschuit zich een enkel
kokkeltje of nonnetje misschien en je vind wel wat zandzagers. Mossels?
Daarvoor moet je naar het havenrestaurant.
Ook scholeksters eten met mes
en vork. Met hun grote oranje dolksnavels kunnen ze rauwe mossels en
kokkels openen en verorberen. Sommige scholeksters zijn gespecialiseerd
in het 'tactisch'openen van schelpen. Ze hebben geleerd om kleine openingen
in schelpranden op te sporen. Met de scherpe snavelpunt prikken ze daar
met kracht doorheen en knippen de sluitspier van het schelpdier door.
Andere scholeksters, vaak te herkennen aan hun wat stompere snavels,
gebruiken brute kracht. Ze hameren mossels en kokkels open. Weer andere
vogels hebben zich gespecialiseerd om mossels aan de rugzijde te openen
of aan de buikzijde. Maar veel mossels zijn nét te zwaar beschelpt
om erdoorheen te kunnen tikken. Zelfs op een grote mosselbank met een
ogenschijnlijke overvloed aan scholekstervoer moeten scholeksters goed
zoeken om 'openbare'exemplaren te vinden.
Logisch dus dat scholeksters
een mosselbank graag voor zich alleen willen hebben. Mosseletende scholeksters
zijn territoriaal. De banken zijn verdeeld in perceeltjes waar bepaalde
individuen het de hele winter door voor het zeggen hebben; vaak meerdere
winters achter elkaar. Uiteraard is ook dit vergunningenstelsel niet
waterdicht. Er lopen wel eens anderen door eigen perceeltjes. Vooral
met opkomend en afgaand water, als mosselbanken de enige plekken zijn
die boven water uitsteken, is er veel agressie. Sommige scholeksters
winnen het vaker dan andere. Zulke dominante vogels kunnen zelfs plezier
beleven aan indringers. Eerst laten ze die een schelp openen en dan
verjagen ze de argeloze opponent van de prooi. Bingo!
Jonge
en anderszins ondergeschikte scholeksters vinden op de beste plekken,
de mossel- en kokkelbanken, geen plaats. Ze moeten de open wadvlaktes
op, op zoek naar nonnetjes, strandgapers, wadpieren en zeeduizendpoten.
Maar sinds een jaar of tien kan in de Nederlandse Waddenzee haast geen
enkele scholekster meer op een mosselbank terecht. Het is allemaal weggevist:
alles gaat sinds die tijd naar het havenrestaurant! Als reactie op de
excessen van de jaren 1988-1991 mochten een paar wadplaten de afgelopen
jaren niet meer bevist worden. Op het beschutte Balgzand zijn voor scholeksters
nu weer wat mossels en kokkels te vinden.
En redden ze het in een Waddenzee
met zo weinig mossels en kokkels? Nou, heel veel redden het er niet.
Vooral als de winter koud is en de beste overgebleven wadplaten onder
een laag ijs verdwijnen, sterven scholeksters bij duizenden. In de Waddenzee
is er van die sterfte vaak niet eens zo veel te zien. Bij langdurige
kou vluchten ze naar het zuiden en leggen ze elders langs de Nederlandse
kust het loodje. Sommigen lukt het om Frankrijk te halen. Daar komen
ze meestal aan hun einde met een schot hagel in hun bast. Maar scholeksters
sterven ook in zachte winters. De statistiekjes laten luid en duidelijk
zien dat hoe minder er in de Waddenzee te eten is, hoe meer er heen
gaan door de hongerdood.
Tekst: Theunis
Piersma - Met toestemming van de auteur overgenomen uit het Waddenbulletin