Home

Info@wildekokkels.nl   

Inhoud Site

Actie Den Haag

Oproep aan deelnemers biodiversiteitsconferentie

Aanleiding: opnieuw massale sterfte Eidereenden

Toename visserij, afname vogels

Artikelen

Schadelijke effecten kokkelvisserij wetenschappelijk aangetoond

Relatie sterfte Eidereenden - schelpdiervisserij wetenschappelijk aangetoond

Column: hongersnood bij Scholeksters

Column: Eiders en mosselvissers

Nederland faalt bij beschermen Waddenzee

Eerdere acties

Verzoekschrift aan Tweede Kamer

Open brief aan Staatssecretaris Faber

Persbericht over voorspelde sterfte Scholeksters in Oosterschelde

 

 

Column: Mossel en Kokkelvissers

Door Theunis Piersma, wadvogelonderzoeker. Verscheen eerder in het boek "'Op vleugels van de wind" en het waddenbulletin.

Mossels en kokkels zijn eigenlijk niet te eten. Dat is ook de bedoeling, want welke mossel of kokkel wil nou gegeten worden? Meer dan 90% van hun gewicht bestaat uit kalk en zout water. Je houdt dan nog een brokje week en vrij smakeloos vlees over. En dan hebben we het er nog niet eens over dat ze gewoonlijk niet voor het oprapen liggen, maar dat je ervoor moet duiken of graven, en heftig moet rukken om ze van hun basis los te trekken. Wie zijn het die het zich kunnen veroorloven een bestaan op te bouwen op basis van deze schelpdieren?

Eenden, of preciezer: zee-eenden, of nog preciezer: eidereenden. Superspecialisten wier hele leven draait om het vinden, vergaren en verwerken van mossels en kokkels. Alleen in de broedtijd nemen ze even afscheid van de zee. Maar niet van harte, want zolang ze van zee zijn eten ze niet. Dat geldt zelfs voor de vrouwtjes die, op een goed verborgen en met eigen dons gevoerd nest, gedurende vier weken de vier tot vijf eieren bebroeden. Voor eidervrouwtjes staat broeden dus gelijk aan een heftige vermageringskuur. Ze verliezen de helft van hun gewicht.

Voor de mannen komt de stress wat eerder. Eidermannen moeten er in de eerste plaats mooi en aantrekkelijk uitzien om al tijdens de wintermaanden een vrouw te veroveren. Afgezien van hun bonte verenpracht doen ze dat door eideriaans te zingen. Hierbij draaien ze heftig met hun grote bonte koppen. Die zang klinkt ook mensen aangenaam in de oren. Probeer het deze winter maar eens te beluisteren aan de oevers van het wad.

Gepaarde eidermannen zijn trouwens ontzettend jaloers. Ze verliezen hun vrouwtje geen moment uit het oog. Tot zij de door hem zo begeerde (en bevruchte) eieren heeft gelegd. Dan laat hij de boel de boel. Zij blijft met de eieren, en later het kroost, zitten. Waarbij je vervolgens aan eiders kunt zien dat zo’n seksistisch systeem ook iets moois kan opleveren. Terug op het wad zoeken eidermoeders elkaar op. Hun kuikens stoppen ze samen in een crèche!

Sommige moeders kunnen dan wat anders gaan doen. Hoe ze uitmaken wie de verantwoordelijkheid voor de crèche op zich neemt is onbekend. Een gemakkelijke taak is het overigens niet, want een sappig donsballetje is voor een zilvermeeuw een stuk aantrekkelijker dan een mossel. Het is een lullig gezicht om een meeuw met een trappelend kuiken in de snavel weg te zien vliegen, ondanks verwoede pogingen van de kant van de eiderkuikenhoedster om dat te voorkomen.

Nou ben je niet zomaar mossel- of kokkelvisser. Daarvoor moet je apparatuur en kennis ontwikkelen. En je hebt natuurlijk een vergunning nodig. Een paar sterk bespierde poten om te duiken en een grote krachtige, maar tegelijkertijd gevoelige snavel om mossels los te rukken en kokkels uit het zand te graven. Om met zachte tikjes te kunnen beoordelen of de kwaliteit van het schelpdier wel goed is. Een krachtige spiermaag waarin mossel en kokkel tot gruis worden gekraakt. Een sterke darm die door scherpe schelpstukjes niet beschadigd raakt, want dat schelpgruis poepen de eidereenden uit. En dan al dat zoute water dat met de schelpen mee naar binnen gaat… Op hun kop, op het schedeldak tussen de oogkassen, zitten twee forse klieren waamee ze hun bloed weer zoet maken. Het uitgefilterde zout lekt weg door de neusgaten.
Veertig miljoen jaar wereldwijd, en wat betreft de Waddenzee alweer duizenden jaren, hadden alleen eiders een visvergunning.

Toen kwamen de Zeeuwen. In plaats van snavel, spiermaag en zoutklieren, hadden ze motorschepen, korren en zuigers. En waar het vermogen van de eidermachinerie werd beperkt door de noodzaak om te kunnen vliegen, kregen de varende Zeeuwen overheidssubsidie. Ze werden zo sterk en kwamen met zo velen dat de mossels en kokkels opraakten. De Zeeuwen werden kwaad op de eiders. En jaagden met rubberboten achter ze aan! Zodat de eiders de zeegaten uitzwommen en in de Noordzee eetbare strandschelpen vonden. Waarop de Zeeuwen achter ze aankwamen, omdat aan deze strandschelpen ook wel wat te verdienen viel. Zodat veel eiders van de honger doodgingen. En het probleem zich vanzelf leek op te lossen…