Column:
Mossel en Kokkelvissers
Door Theunis Piersma, wadvogelonderzoeker. Verscheen eerder in het
boek "'Op vleugels van de wind" en het waddenbulletin.
Mossels en kokkels zijn eigenlijk niet te eten. Dat is ook de bedoeling,
want welke mossel of kokkel wil nou gegeten worden? Meer dan 90% van
hun gewicht bestaat uit kalk en zout water. Je houdt dan nog een brokje
week en vrij smakeloos vlees over. En dan hebben we het er nog niet
eens over dat ze gewoonlijk niet voor het oprapen liggen, maar dat je
ervoor moet duiken of graven, en heftig moet rukken om ze van hun basis
los te trekken. Wie zijn het die het zich kunnen veroorloven een bestaan
op te bouwen op basis van deze schelpdieren?
Eenden, of preciezer: zee-eenden, of nog preciezer: eidereenden.
Superspecialisten wier hele leven draait om het vinden, vergaren en
verwerken van mossels en kokkels. Alleen in de broedtijd nemen ze even
afscheid van de zee. Maar niet van harte, want zolang
ze van zee zijn eten ze niet. Dat geldt zelfs voor de vrouwtjes die,
op een goed verborgen en met eigen dons gevoerd nest, gedurende vier
weken de vier tot vijf eieren bebroeden. Voor eidervrouwtjes staat broeden
dus gelijk aan een heftige vermageringskuur. Ze verliezen de helft van
hun gewicht.
Voor de mannen komt de stress wat eerder. Eidermannen
moeten er in de eerste plaats mooi en aantrekkelijk uitzien om al tijdens
de wintermaanden een vrouw te veroveren. Afgezien van hun bonte verenpracht
doen ze dat door eideriaans te zingen. Hierbij draaien ze heftig met
hun grote bonte koppen. Die zang klinkt ook mensen aangenaam in de oren.
Probeer het deze winter maar eens te beluisteren aan de oevers van het
wad.
Gepaarde eidermannen zijn trouwens ontzettend jaloers. Ze verliezen
hun vrouwtje geen moment uit het oog. Tot zij de door hem zo begeerde
(en bevruchte) eieren heeft gelegd. Dan laat hij de boel de boel. Zij
blijft met de eieren, en later het kroost, zitten. Waarbij je vervolgens
aan eiders kunt zien dat zon seksistisch systeem ook iets moois
kan opleveren. Terug op het wad zoeken eidermoeders elkaar op. Hun kuikens
stoppen ze samen in een crèche!
Sommige moeders kunnen dan wat anders gaan doen. Hoe ze uitmaken wie
de verantwoordelijkheid voor de crèche op zich neemt is onbekend.
Een gemakkelijke taak is het overigens niet, want een sappig donsballetje
is voor een zilvermeeuw een stuk aantrekkelijker dan een mossel. Het
is een lullig gezicht om een meeuw met een trappelend kuiken in de snavel
weg te zien vliegen, ondanks verwoede pogingen van de kant van de eiderkuikenhoedster
om dat te voorkomen.
Nou ben je niet zomaar mossel- of kokkelvisser. Daarvoor moet je apparatuur
en kennis ontwikkelen. En je hebt natuurlijk een vergunning nodig. Een
paar sterk bespierde poten om te duiken en een grote krachtige, maar
tegelijkertijd gevoelige snavel om mossels los te rukken en kokkels
uit het zand te graven. Om met zachte tikjes te kunnen beoordelen of
de kwaliteit van het schelpdier wel goed is. Een krachtige spiermaag
waarin mossel en kokkel tot gruis worden gekraakt. Een sterke darm die
door scherpe schelpstukjes niet beschadigd raakt, want dat schelpgruis
poepen de eidereenden uit. En dan al dat zoute water dat met de schelpen
mee naar binnen gaat
Op hun kop, op het schedeldak tussen de oogkassen,
zitten twee forse klieren waamee ze hun bloed weer zoet maken. Het uitgefilterde
zout lekt weg door de neusgaten.
Veertig miljoen jaar wereldwijd, en wat betreft de Waddenzee alweer
duizenden jaren, hadden alleen eiders een visvergunning.
Toen kwamen de Zeeuwen. In plaats van snavel, spiermaag en zoutklieren,
hadden ze motorschepen, korren en zuigers. En waar het vermogen van
de eidermachinerie werd beperkt door de noodzaak om te kunnen vliegen,
kregen de varende Zeeuwen overheidssubsidie. Ze werden zo sterk en kwamen
met zo velen dat de mossels en kokkels opraakten. De Zeeuwen werden
kwaad op de eiders. En jaagden met rubberboten achter ze aan! Zodat
de eiders de zeegaten uitzwommen en in de Noordzee eetbare strandschelpen
vonden. Waarop de Zeeuwen achter ze aankwamen, omdat aan deze strandschelpen
ook wel wat te verdienen viel. Zodat veel eiders van de honger doodgingen.
En het probleem zich vanzelf leek op te lossen